Projectplan pilot ‘Zinvol omgaan met social media’

Aanleiding

De afgelopen jaren is het gebruik van social media en internet normaal geworden voor het grootste deel van de bevolking. Een steeds belangrijker deel van het sociale verkeer verloopt via toepassingen als Facebook en Whatsapp.

Dit geldt zeker ook voor de mensen die vanwege psychische kwetsbaarheid gebruik maken van opvang of verblijven in beschermde woonvormen. Voor hen geldt dit mogelijk nog meer dan voor de rest van de bevolking; voor zover bekend is hier nog geen onderzoek naar gedaan, maar mensen die veel contact hebben met deze groepen bevestigen dat het gebruik van social media en internet vaak een belangrijk deel van de dagbesteding is geworden.

Dit gebruik biedt zowel risico’s als kansen. Geertje Paaij heeft vorig jaar op scherpe wijze de vinger gelegd op de risico’s, met kamervragen als gevolg (zie Kamervragen Renske Leijten 14 augustus 2015). De minister geeft hierop antwoord in termen van controle van dit gebruik door hulpverleners (zie Antwoorden min VWS over omgang social media 17 september 2015), maar dit is voor de begeleiders in opvang of beschermde woonvormen nauwelijks realistisch.

Aandacht voor de kansen die het enorm toegenomen gebruik van social media en Internet biedt voor de doelgroep is er in de praktijk nog nauwelijks. Sterker nog: veel begeleiders houden afstand van het social media gebruik van hun cliënten, uit een behoefte om privé en werk te scheiden en de eigen privacy te beschermen. Ook bestaat er bij veel begeleiders een zekere aversie tegen (te) veel internetgebruik.

Hoe mooi zou het zijn als (psychisch) kwetsbare mensen optimaal gebruik zouden maken van de kansen die social media en Internet bieden en zo goed mogelijk leren omgaan met de risico’s? Het zou hen helpen om hun eigen netwerken te versterken, meer en betere informatie tot zich te nemen en hun zelfregie vergroten. En ze zouden sterker en bewuster kunnen omgaan met de desinformatie en pesterijen in de virtuele werkelijkheid.

Daarom stelt Zin in Utrecht voor om op een hanteerbare schaal te onderzoeken of en zo ja op welke wijze trainingen kunnen bijdragen aan een bewuster en beter gebruik van social media en internet. Deze ervaringen kunnen vervolgens leiden tot aanbevelingen aan cliënten, ervaringsdeskundigen, begeleiders en zorgverleners.

Uitgangspunten

  • Positieve houding t.a.v. social media: een belangrijke aanname in het voorstel is dat het gebruik van social media en internet kunnen bijdragen aan het vergroten van de zelfregie, het versterken van de eigen identiteit en het verbeteren van de verbinding met andere mensen. Voorwaarde is dan wel dat dit zich richt op het onderhouden van contact met bekenden, familieleden en lotgenoten (vergelijk onderzoek bij TU Twente, zie Master thesis S.K. Maijala). Louter virtueel contact kan wellicht juist bijdragen tot depressie en eenzaamheid (vergelijk recent onderzoek bij de University of Pensylvania, zie ‘Veelvuldig gebruik social media verhoogt kans op depressie’).

  • Co-creatie: een vorm van co-creatie door zowel ervaringsdeskundigen als professionals biedt het meeste kans op succes. De ervaringsdeskundigen zullen zorgdragen voor een optimale aansluiting bij en relevantie voor de doelgroep. De inbreng van de professionals is wenselijk om de inhoudelijke diepgang van de trainingen en de begeleiding van het gekoppelde onderzoek te borgen.
    In de uitvoering zullen de ervaringsdeskundigen een belangrijke rol spelen; bij de laatste van de drie trainingen zal in principe ook geen professional aanwezig zijn.

  • Toepassing CHIME-model: onderzoek (zie ‘Conceptual framework for personal recovery in mental health: systematic review and narrative synthesis’) laat zien dat in herstelbewegingen wereldwijd steeds dezelfde bouwstenen centraal staan. Deze worden samengevat in het z.g.n. CHIME-model, dat om die reden ook door het Trimbos-instituut als uitgangspunt voor herstelwerk wordt genomen:
      • C voor connectedness
      • H voor hope and optimism about the future
      • I voor identity
      • M voor meaning in life
      • E voor empowerment

Bij de opzet en invulling van de training zullen deze bouwstenen leidend zijn. Geestelijk verzorgers zijn bij uitstek vertrouwd met deze bouwstenen omdat deze ook de basis vormen van hun normatieve professionaliteit. Deze deskundigheid is de reden om deze training op te zetten vanuit de geestelijke verzorging.

  • Kritisch gebruik van trainingen uit het bedrijfsleven: er is een duidelijke inhoudelijke verwantschap met heel populaire trainingen over personal branding in het bedrijfsleven; daarin gaat het deels over dezelfde vragen, namelijk over hoe je jezelf presenteert op het Internet en welk effect je op mensen wilt hebben. Waar zinvol zal hiervan gebruik worden gemaakt, maar niet zonder de nodige kritische reflectie.

  • Bescheiden beginnen: gezien het relatief nieuwe domein lijkt het verstandig om klein te beginnen; het plan is daarom om in het seizoen 2016 – 2017 met maximaal drie groepen van 8 – 10 deelnemers te werken.

  • Samenwerking met Lister: Lister ondersteunt dit initiatief en wil graag bij de uitvoering en evaluatie betrokken zijn. Ook zal Lister de werving en communicatie ondersteunen. Voor de trainingen zelf kan naar verwachting gebruik worden gemaakt van de voorzieningen bij Enik Recovery College.

  • Wetenschappelijke toetsing: door het project te koppelen aan een universitair onderzoeksproject (bijv. bij de UvH, de UU of VU) zal het effect en de betekenis van de training bij de deelnemers worden onderzocht en kunnen worden meegenomen bij de evaluatie en planvorming voor het vervolg.

  • Borging bij bestaande organisaties: bij een positieve evaluatie van de trainingen, kunnen deze na afloop pilot structureel worden aangeboden, bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband tussen Zin in Utrecht en Lister / Enik RC. Ook zijn er goede contacten met Altrecht (ervaringsdeskundigen) en de EPA-proeftuinen. Tijdens de uitvoering van het project zal nader worden onderzocht op welke wijze de continuïteit het best kan worden gewaarborgd.